KB ivm uitbetaling premies BBT en BBK

zaterdag, 30 juni, 2018

FEDERALE OVERHEIDSDIENST VOLKSGEZONDHEID, VEILIGHEID VAN DE VOEDSELKETEN EN LEEFMILIEU

30 JULI 2018. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 december 2011 betreffende uitvoering van het attractiviteitsplan voor het verpleegkundig beroep, in bepaalde federale gezondheidssectoren, wat betreft de premies voor de titels en bijzondere beroepsbekwaamheden en ongemakkelijke prestaties

VERSLAG AAN DE KONING
Sire,
Het koninklijk besluit dat ik de eer heb aan Uwe Majesteit ter ondertekening voor te leggen, heeft tot doel het artikel 1 van het koninklijk besluit van 28 december 2011 `betreffende uitvoering van het attractiviteitsplan voor het verpleegkundig beroep, in bepaalde federale gezondheidssectoren, wat betreft de premies voor de titels en bijzondere beroepsbekwaamheden en ongemakkelijke prestaties' aan te vullen. Deze toevoeging impliceert dat de verpleegkundigen, die tewerkgesteld zijn in een ziekenhuis dat onder het paritair comité voor de gezondheidsinrichtingen en -diensten 330 valt, geen recht meer hebben op de premies voorzien voor een nieuwe erkenning van een bijzondere beroepstitel of een bijzondere beroepsbekwaamheid verkregen vanaf 1 september 2018. Voor bepaalde van die pas erkende verpleegkundigen voorziet de collectieve arbeidsovereenkomst van 11 december 2017 betreffende `de invoering van een nieuw loonmodel voor de federale verzorgingsinstellingen' in een loonschaal (`IFIC-barema') die voornoemde premies integreert.
De Raad van State heeft in zijn advies 63.308/3 van 16 april 2018 verschillende opmerkingen geformuleerd.
Om te beantwoorden aan opmerkingen 6.1 en 6.3 wordt het tweede lid geschrapt, om te vermijden dat er discrepanties ontstaan tussen het koninklijk besluit van 28 december 2011 en de collectieve arbeidsovereenkomst van 11 december 2017.
Om te beantwoorden aan opmerking 7, aangezien de datum van 1 mei 2018 verstreken is en om de mensen die momenteel een bijkomende opleiding volgen om een bijzondere beroepstitel of een bijzondere beroepsbekwaamheid te behalen die recht geeft op die premies, niet te benadelen, wordt de datum van inwerkingtreding van het einde van het recht op die premies vastgelegd op het eind van de referentieperiode waarin men een premie voor het jaar 2018 kan verkrijgen, namelijk op 31 augustus 2018. Zo zal als gevolg geen enkele nieuwe erkenning van een titel of een bekwaamheid na 31 augustus 2018 nog recht geven op een premie.
Om te beantwoorden aan opmerking 6.4 zou die bijkomende termijn vóór de inwerkingtreding van het eind van het recht op de premie de sociale partners in staat moeten stellen om de bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst coherenter te maken op basis van het advies van de Raad van State.
Om te beantwoorden aan opmerking 6.2 is er een afwijkend systeem voorzien voor de verpleegkundige, begunstigde van een premie, die van functie wisselt in hetzelfde ziekenhuis of die van ziekenhuis wisselt vallend onder het toepassingsgebied van het voornoemde paritair comité 330, dat hem toelaat om het recht op de premie te behouden voor zover deze de functie van verpleegkundige blijft uitoefenen.
Ik heb de eer te zijn,
Sire,
Van Uwe Majesteit,
de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaar,
De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid,
M. DE BLOCK

RAAD VAN STATE
afdeling Wetgeving
Advies 63.308/3 van 16 april 2018 over een ontwerp van koninklijk besluit `tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 december 2011 betreffende uitvoering van het attractiviteitsplan voor het verpleegkundig beroep, in bepaalde federale gezondheidssectoren, wat betreft de premies voor de titels en bijzondere beroepsbekwaamheden en ongemakkelijke prestaties'
Op 10 april 2018 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid verzocht binnen een termijn van vijf werkdagen een advies te verstrekken over een ontwerp van koninklijk besluit `tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 december 2011 betreffende uitvoering van het attractiviteitsplan voor het verpleegkundig beroep, in bepaalde federale gezondheidssectoren, wat betreft de premies voor de titels en bijzondere beroepsbekwaamheden en ongemakkelijke prestaties'.
Het ontwerp is door de derde kamer onderzocht op 12 april 2018. De kamer was samengesteld uit Jo BAERT, kamervoorzitter, Jeroen VAN NIEUWENHOVE en Wouter PAS, staatsraden, en Astrid TRUYENS, griffier.
Het verslag is uitgebracht door Tim CORTHAUT, auditeur.
De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Jeroen VAN NIEUWENHOVE, staatsraad.
Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 16 april 2018.
1. Volgens artikel 84, § 1, eerste lid, 3°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, moeten in de adviesaanvraag de redenen worden opgegeven tot staving van het spoedeisende karakter ervan.
In het onderhavige geval wordt het verzoek om spoedbehandeling gemotiveerd als volgt:
"L'urgence est motivée par le fait que la convention collective de travail du 11 décembre 2017 concernant l'introduction d'un nouveau modèle salarial pour les services fédéraux des soins de santé du secteur privé est entrée en vigueur le 1er janvier 2018; que celle-ci lie tous les hôpitaux relevant de la commission paritaire 330 et s'applique ainsi à tous les travailleurs de ces hôpitaux; qu'elle détermine l'introduction phasée des nouvelles échelles salariales applicables à partir du 1er mai 2018; que les futurs barèmes intègreront les primes pour les agréments pour titre et qualification professionnels particuliers tels que prévus dans l'arrêté royal du 28 décembre 2011 relatif à l'exécution du plan d'attractivité pour la profession infirmière; que pour éviter un double financement, l'infirmier qui aura été agréé pour un titre ou une qualification après le 1er mai 2018 n'aura plus droit à la prime susmentionnée étant donné que celle-ci sera intégrée d'office dans les nouveaux barèmes qu'il pourra choisir d'adopter; qu'il est donc urgent de porter à la connaissance des hôpitaux concernés et de leurs travailleurs les modifications apportées avant le 1er mai 2018."
2. Overeenkomstig artikel 84, § 3, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, heeft de afdeling Wetgeving zich moeten beperken tot het onderzoek van de bevoegdheid van de steller van de handeling, van de rechtsgrond, alsmede van de vraag of aan de te vervullen vormvereisten is voldaan.
STREKKING VAN HET ONTWERP
3. Het voor advies voorgelegde ontwerp van koninklijk besluit strekt tot de aanvulling van artikel 1 van het koninklijk besluit van 28 december 2011 `betreffende uitvoering van het attractiviteitsplan voor het verpleegkundig beroep, in bepaalde federale gezondheidssectoren, wat betreft de premies voor de titels en bijzondere beroepsbekwaamheden en ongemakkelijke prestaties', met een paragraaf 4. Die aanvulling houdt in dat de in paragrafen 1 en 2 bedoelde premies voor erkende verpleegkundigen die gemachtigd zijn zich op een bijzondere beroepsbekwaamheid te beroepen en voor erkende verpleegkundigen die gemachtigd zijn houder te zijn van een bijzondere beroepstitel, niet langer worden toegekend aan de verpleegkundigen die werken in een ziekenhuis vallend onder het toepassingsgebied van de collectieve arbeidsovereenkomst van 11 december 2017 `betreffende de invoering van een nieuw loonmodel voor de federale gezondheidsdiensten', gesloten in het paritair comité voor de gezondheidsdiensten en -inrichtingen, en die vanaf 1 mei 2018 erkend worden door de bevoegde overheid voor de betrokken beroepsbekwaamheid of beroepstitel (artikel 1 van het ontwerp). Voor die verpleegkundigen wordt bij de voormelde collectieve arbeidsovereenkomst voorzien in een loonbarema ("IFIC-barema"), dat gefaseerd wordt ingevoerd en waarin de voormelde premies worden geïntegreerd, zij het blijkbaar niet onmiddellijk voor alle betrokkenen.
Het te nemen besluit treedt in werking op 1 mei 2018 (artikel 3 van het ontwerp).
RECHTSGROND
4. Het ontworpen besluit vindt rechtsgrond in artikel 59quater van de programmawet van 2 januari 2001.
VORMVEREISTEN
5. In het vijfde lid van de aanhef wordt melding gemaakt van de voorafgaande regelgevingsimpactanalyse, die evenwel niet blijkt te zijn uitgevoerd, gelet op de uitzonderingsgrond in artikel 8, § 2, 2°, van de wet van 15 december 2013 `houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging'. In dat geval moet in het vijfde lid melding worden gemaakt van die uitzonderingscategorie en niet van de (niet-) uitgevoerde regelgevingsimpactanalyse.
ALGEMENE OPMERKINGEN
6.1. Zoals reeds is uiteengezet bij de strekking van het ontwerp, wordt in het ontworpen besluit, net als overigens in het eveneens om advies voorgelegde ontwerp van koninklijk besluit `tot wijziging van het koninklijk besluit van 25 april 2002 betreffende de vaststelling en de vereffening van het budget van financiële middelen van de ziekenhuizen' (63.309/3) als scharnierdatum (1 mei 2018) uitgegaan van de datum van de erkenning voor de betrokken bijzondere beroepstitel of beroepsbekwaamheid (zie het ontworpen artikel 1, § 4, eerste lid, van het koninklijk besluit van 28 december 2011), terwijl in artikel 4, § 3, en in het opschrift van hoofdstuk 7 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 11 december 2017 wordt uitgegaan van de datum van indiensttreding van de betrokken werknemers. In het ontworpen artikel 1, § 4, tweede lid, van het koninklijk besluit van 28 december 2011 wordt gewag gemaakt van het verworven blijven van de premies voor "de verpleegkundige die werkt in een ziekenhuis vallend onder het toepassingsgebied van [de voormelde collectieve arbeidsovereenkomst] en die uiterlijk op 30 april 2018 voldeed aan de voorwaarden omschreven in paragraaf 3", waarmee wordt gerefereerd aan de datum waarop men tewerkgesteld is.
Door te werken met twee verschillende scharnierdata, ontstaan weeffouten tussen het koninklijk besluit van 28 december 2011 en de collectieve arbeidsovereenkomst van 11 december 2017.
6.2. Dat is bijvoorbeeld het geval voor de personen die vóór 1 mei 2018 beschikken over de erkenning voor de betrokken bijzondere beroepstitel of beroepsbekwaamheid en die voldoen aan de voorwaarden van artikel 1 van het koninklijk besluit van 28 december 2011, maar die na die datum overstappen naar een ander ziekenhuis, ook al is dat nog steeds in een erkende dienst, functie of zorgprogramma waar die betrokken bijzondere beroepstitel of beroepsbekwaamheid vereist is. Doordat in de collectieve arbeidsovereenkomst van 11 december 2017 wordt uitgegaan van de datum van indienstneming als scharnierdatum, zou men kunnen aannemen dat de betrokken personen onmiddellijk onder de IFIC-barema's vallen en niet onder het oude systeem, terwijl ze volgens het ontworpen artikel 1, § 4, van het koninklijk besluit van 28 december 2011 toch recht hebben op de premie. De gemachtigde betwist deze interpretatie :
"L'article 10, § 4, [van de collectieve arbeidsovereenkomst van 11 december 2017] organise une exception pour l'infirmier agréé pour un titre au 1er janvier 2018. Même si cet infirmier change d'employeur il sera toujours considéré comme exception car, au 1erjanvier 2018, il était porteur d'un agrément pour titre ou qualification.
`Art. 10. § 4. De werknemer die op 1 januari 2018 recht heeft op het voordeel beschreven in artikel 3 § 9 (premie voor een bijzondere beroepsbekwaamheid (BBK) en/of bijzondere beroepstitel (BBT)) van deze collectieve arbeidsovereenkomst, behoudt in fase 1 zijn bestaande loonvoorwaarden, inbegrepen de hierbij bedongen toekomstige verhogingen, alsook de premie BBT en/of BBK. Hij beschikt bijgevolg in fase 1 niet over de keuzemogelijkheid.
De ondertekenende partijen bepalen bij elke volgende fase of deze werknemers de keuze krijgen om over te stappen naar het IFIC barema.'"
De interpretatie van de gemachtigde steunt dan in elk geval op de veronderstelling dat de door haar aangehaalde bepaling van de collectieve arbeidsovereenkomst van 11 december 2017 voorgaat op artikel 12, § 1, ervan, aangezien die laatste bepaling blijkens het opschrift van hoofdstuk 7 van toepassing is op de werknemers die effectief vanaf 1 mei 2018 in dienst treden van de onderneming. Die bepaling houdt in dat de betrokken werknemer wel degelijk recht heeft op het IFIC-barema en houdt dus geen keuzemogelijkheid in.
Artikel 4, § 3, van de voormelde collectieve arbeidsovereenkomst schrijft weliswaar voor dat de werknemers die vanaf 1 mei 2018 in dienst treden, geen keuzerecht genieten en onmiddellijk onder de IFIC-barema's vallen. Dit neemt evenwel niet weg dat ook die bepaling op gespannen voet staat met het ontworpen artikel 1, § 4, van het koninklijk besluit van 28 december 2011.
6.3. Er heerst ook onduidelijkheid voor personen die op 1 januari 2018 reeds tewerkgesteld zijn in een ziekenhuis (bijvoorbeeld als algemeen verpleegkundige), maar die pas tussen 1 januari en 30 april 2018 een bijzondere beroepstitel of beroepsbekwaamheid erkend zien. Volgens een a contrario-interpretatie van het ontworpen artikel 1, § 4, eerste lid, van het koninklijk besluit van 28 december 2011 hebben zij recht op de premie, maar zij zouden ook overeenkomstig een a contrario-interpretatie op basis van artikel 10, § 4, van de collectieve arbeidsovereenkomst van 11 december 2017 reeds in de zogenaamde fase 1 al kunnen kiezen tussen het behoud van de premie en het IFIC-barema. Het is niet duidelijk of dat strookt met de bedoeling van de stellers van het ontwerp. In elk geval is de vermelding "overeenkomstig artikel 10, § 4, van de bovenvermelde collectieve arbeidsovereenkomst" in het ontworpen artikel 1, § 4, tweede lid, van het koninklijk besluit van 28 december 2011 niet relevant voor deze categorie van personen, aangezien zij pas tussen 1 januari en 30 april 2018 recht hebben op de premie.
6.4. De stellers van het ontwerp zullen dan ook de formulering van de scharnierdatum in de ontworpen regeling moeten afstemmen op die in de collectieve arbeidsovereenkomst van 11 december 2017. Het wil de Raad van State overigens ook voorkomen - maar een onderzoek daarvan valt buiten het bestek van deze adviesaanvraag en zelfs buiten zijn adviesbevoegdheid -(1) dat de bepalingen van die collectieve arbeidsovereenkomst onderling niet goed zijn afgestemd.
7. De personen die pas vanaf 1 mei 2018 worden aangeworven of die pas vanaf dan de betrokken bijzondere beroepstitel of beroepsbekwaamheid erkend zien, hebben in elk geval geen recht op de premie. Daar staat tegenover dat in de voor hen toepasselijke IFIC-barema's blijkens artikel 7, § 2, van de collectieve arbeidsovereenkomst van 11 december 2017 die premies worden geïntegreerd. Uit het advies van de Federale Raad voor Ziekenhuisvoorzieningen van 30 januari 2018 kan evenwel worden opgemaakt dat die integratie in elk geval voor privé-ziekenhuizen niet zal gebeuren voor alle betrokkenen en niet met ingang van fase 1. In de voormelde collectieve arbeidsovereenkomst wordt daartoe tot op zekere hoogte voorzien in een regeling met een startbarema en een doelbarema, met het oog op een progressieve implementatie van die doelbarema's.
Aangezien de wijze waarop de premie in de IFIC-barema's zal worden geïntegreerd, blijkbaar nog niet vaststaat, moet de Raad van State een voorbehoud formuleren bij de vraag of de stopzetting van de premie bij het thans ontworpen besluit verenigbaar is met het gelijkheidsbeginsel, wat betreft de personen die pas vanaf 1 mei 2018 worden aangeworven of die pas vanaf dan de betrokken bijzondere beroepstitel of beroepsbekwaamheid erkend zien. Dat geldt in het bijzonder voor de personen die thans een bijscholing volgen met het oog op het verwerven van de bijzondere beroepstitel of de bijzondere beroepsbekwaamheid die recht geeft op die premies en die mogelijk een rechtmatige verwachting mochten koesteren om effectief die premies te ontvangen na het succesvol afronden van die opleiding (2).
Mede gelet op hetgeen in de opmerkingen 5.1 tot 5.4 is uiteengezet aangaande de interne coherentie van de regeling vervat in de collectieve arbeidsovereenkomst van 11 december 2017 en in het koninklijk besluit van 28 december 2011, zoals te wijzigen bij het ontworpen besluit, moeten de stellers van het ontwerp voor de verschillende mogelijke hypothesen (afhankelijk van het tijdstip van tewerkstelling en het tijdstip van verwerving van de erkenning) nagaan of de regeling werkelijk beantwoordt aan hetgeen zij beogen en of ze in overeenstemming is met het gelijkheidsbeginsel. Indien daaromtrent een nadere verantwoording wenselijk blijkt te zijn, kan die worden opgenomen in een verslag aan de Koning bij het te nemen besluit.
DE GRIFFIER,
Astrid TRUYENS
DE VOORZITTER,
Jo BAERT
_______
Nota's
(1) Tenzij indien hem om advies zou worden gevraagd over een ontwerp van koninklijk besluit tot algemeenverbindendverklaring van deze collectieve arbeidsovereenkomst (zie artikel 5 van de wetten op de Raad van State).
(2) Vgl. adv.RvS 58.684/3 van 13 januari 2016 over een ontwerp dat heeft geleid tot het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juli 2016 `tot wijziging van artikel 1 van het koninklijk besluit van 28 december 2011 betreffende uitvoering van het attractiviteitsplan voor het verpleegkundig beroep, in bepaalde federale gezondheidssectoren, wat betreft de premies voor de titels en bijzondere beroepsbekwaamheden en ongemakkelijke prestaties', opmerkingen 6 en 7.

30 JULI 2018. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 december 2011 betreffende uitvoering van het attractiviteitsplan voor het verpleegkundig beroep, in bepaalde federale gezondheidssectoren, wat betreft de premies voor de titels en bijzondere beroepsbekwaamheden en ongemakkelijke prestaties
FILIP, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
Gelet op de programmawet van 2 januari 2001, artikel 59quater, ingevoegd bij de wet van 10 december 2009;
Gelet op het koninklijk besluit van 28 december 2011 betreffende uitvoering van het attractiviteitsplan voor het verpleegkundig beroep, in bepaalde federale gezondheidssectoren, wat betreft de premies voor de titels en bijzondere beroepsbekwaamheden en ongemakkelijke prestaties;
Gelet op het advies van de inspecteur van financiën, gegeven op 13 februari 2018;
Gelet op de akkoordbevinding van de Minister voor Begroting, gegeven op 5 maart 2018;
Gelet op het artikel 8 van de wet van 15 december 2013 houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging, is dit besluit vrijgesteld van een regelgevingsimpactanalyse;
Gelet op het verzoek om spoedbehandeling, gemotiveerd door het feit dat de betrokken verpleegkundigen en hun werkgevers, dat wil zeggen de ziekenhuizen vallend onder het paritair comité voor de gezondheidsinrichtingen en -diensten 330 op de hoogte moeten worden gebracht van de wijzigingen van dit besluit vóór 1 september 2018; dat de collectieve arbeidsovereenkomst van 11 december 2017 betreffende de invoering van een nieuw loonmodel voor de federale verzorgingsinstellingen van de privésector in werking is getreden op 1 januari 2018; dat deze bindend is voor alle ziekenhuizen die behoren tot het voormeld paritair comité 330 en aldus van toepassing is op alle werknemers van die ziekenhuizen; dat deze de modaliteiten bepaalt voor de gefaseerde invoering van een nieuw loonmodel en de daarmee samenhangende loonschalen; dat de toekomstige barema's in bepaalde gevallen de premies integreren m.b.t. de erkenning voor de bijzondere beroepstitels en bijzondere beroepsbekwaamheden zoals voorzien in het koninklijk besluit van 28 december 2011 betreffende uitvoering van het attractiviteitsplan voor het verpleegkundig beroep; dat om een dubbele financiering te vermijden, de verpleegkundige die vanaf 1 september 2018 is door de bevoegde autoriteit erkend wordt voor een bijzondere beroepstitel of bijzondere beroepsbekwaamheid geen recht meer heeft op voormelde premie; dat de betrokken ziekenhuizen en hun verpleegkundigen bijgevolg dringend op de hoogte moeten worden gebracht van deze wijzigingen vóór deze datum;
Gelet op het advies 63.308/3 van de Raad van State, gegeven op 16 april 2018, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 3°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
Op de voordracht van de Minister van Sociale zaken, de Minister van Werk en op het advies van de in Raad vergaderde ministers,
Hebben Wij besloten en besluiten Wij :
Artikel 1. Artikel 1 van het koninklijk besluit van 28 december 2011 betreffende uitvoering van het attractiviteitsplan voor het verpleegkundig beroep, in bepaalde federale gezondheidssectoren, wat betreft de premies voor de titels en bijzondere beroepsbekwaamheden en ongemakkelijke prestaties wordt aangevuld, luidende:
" § 4. In afwijking van § 3, hebben de verpleegkundigen die werken in een ziekenhuis vallend onder het toepassingsgebied van het paritair comité voor de gezondheidsinrichtingen en -diensten 330, die vanaf 1 september 2018 erkend worden door de bevoegde autoriteit voor een bovenvermelde titel of een bekwaamheid, geen recht op de premies zoals bedoeld in de paragrafen 1 en 2.
Bovendien behoudt de verpleegkundige, die voor 1 september 2018 begunstigde is van de premie bedoeld in de paragrafen 1 en/of 2 en die van functie verandert in hetzelfde ziekenhuis of die wisselt van ziekenhuis vallend onder het voornoemde paritair comité 330, het recht op de premie voor zover deze de functie van verpleegkundige blijft uitoefenen.
§ 4bis. De verpleegkundige die werkt in een ziekenhuis niet vallend onder het voornoemde paritair comité 330, die begunstigde is van de premie bedoeld in de paragrafen 1 en/of 2, en die wisselt van werkgever en die gaat werken voor een ziekenhuis vallend onder het voornoemde paritair comité 330, behoudt het recht op de premie voor zover deze de functie van verpleegkundige blijft uitoefenen.".
Art. 2. Dit besluit treedt in werking op 1 september 2018.
Art. 3. De minister bevoegd voor Sociale zaken en de minister bevoegd voor Werk zijn, ieder voor wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te L'Ile-d'Yeu, 30 juli 2018.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Volksgezondheid en Sociale zaken,
M. DE BLOCK
De Minister van Werk,
K. PEETERS